'Maak glashelder wat experimenten opleveren'

Gepost op 19 augustus 2010

Structurele financiering van experimenten die de ouderenzorg aantoonbaar verbeteren, zal geen probleem zijn. Cruciaal is dat zorgnetwerken en wetenschappers glashelder maken wat de winst is van een nieuwe aanpak. Dat vereist een ruime afweging van kosten en baten, het gaat ook om inzicht in de gezondheidswinst voor ouderen en of hun kwaliteit van leven stijgt.

Dat zegt Jan Coolen, manager Kosten bij de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie en adviseur van het Nationaal Programma Ouderenzorg (NPO). “Ik ben er van overtuigd dat voor zinvolle projecten altijd bekostiging wordt gevonden. De kunst is aan te tonen waarom een aanpak loont.”

Magische formule

De transitie-experimenten van het NPO zijn van groot belang om inzichtelijk te maken hoe de ouderenzorg beter en efficiënter kan. Volgens Coolen is het een zoektocht naar de magische formule: hoe lever je de beste zorg voor de minste kosten, of hoe doen we meer met het geld dat we hebben. “In Utrecht loopt bijvoorbeeld een experiment waarbij de praktijkverpleegkundige de huisarts ondersteunt en met vragenlijsten en huisbezoeken kwetsbare ouderen opspoort”, legt Coolen uit. “Die verpleegkundige moet worden betaald en dat zorgt voor extra kosten. Het is dan van groot belang om te weten wat het vroegtijdig opsporen van kwetsbare ouderen oplevert. Kan een ziekenhuisbezoek of operatie worden voorkomen? Kan door extra aandacht bijvoorbeeld eenzaamheid worden tegengegaan omdat de eerste lijn beter samenwerkt met wijkvoorzieningen?”

Alles inzichtelijk maken

Het NPO telt nu 57 wetenschappelijke onderzoeken, uitgevoerd door acht regionale netwerken. Coolen: “Elk netwerk legt eigen accenten en daarmee ontstaat straks een lastige puzzel. We weten veel over afzonderlijke interventies, zoals brede eerstelijnszorg en transmurale herstelzorg, maar niet wat in samenhang het meest loont. Ook kan blijken dat een aanpak alleen zin heeft voor een kleine specifieke doelgroep. Of dat interventies werken, maar nog niet helder is wie wat het beste kan doen: de dokter, de thuisverpleging, de ziekenverzorgende of de opbouwwerker.
Tevens kan blijken dat de kosten door een nieuwe aanpak sterk stijgen en dat de gezondheidswinst slechts minimaal is. Wat doe je dan? En om het nog iets lastiger te maken: stel dat de effecten voor gezondheid klein zijn maar dat het zelfvertrouwen en de zelfredzaamheid van ouderen wel aanzienlijk verbeteren. Als het overzicht scherper is, kunnen zorgnetwerken én de overheid beter beslissen of vernieuwingen de moeite waard zijn.”

Interesse verzekeraars

De transitie-experimenten beginnen de warme belangstelling van verzekeraars te krijgen. Volgens Coolen, die zelf jaren bij de brancheorganisatie van de zorgverzekeraars ZN werkte, willen verzekeringsmaatschappijen graag goede initiatieven steunen. “Ze krijgen alleen zoveel voorstellen voorgeschoteld dat ze niet weten waar ze hun geld op moeten inzetten. De opzet van het NPO echter, voldoet aan het inzichtelijk maken van de resultaten en bij sommige projecten kijken verzekeraars al op afstand mee. Maar het zou geen kwaad kunnen ze er meer bij te betrekken. Er zijn 2,5 miljoen 65-plussers en verzekeraars leveren hen graag goede zorg voor redelijke kosten. Daarom geloof ik dat bekostiging van bewezen goede initiatieven in de toekomst echt geen probleem is.”